'Nederlands is onze taal, maar het Nederlands is niet alleen van óns.'

  • 4 november 2019

Op de Vlaams-Nederlandse taalavond 'Spraakmakend Nederlands?' stelde Henriëtte Louwerse haar toekomstpad voor het Nederlands voor met het betoog 'Kleindenken beperkt het potentieel van het Nederlands.'

Dit evenement vond plaats in Den Haag op donderdag 10 oktober 2019 met Marc van Oostendorp, Els Snick, Henriëtte Louwerse, Tomas Vanheste en Radna Fabias. Elk vanuit hun eigen discipline stelden ze hun toekomstpad voor het Nederlands voor met een kort betoog. Hieronder delen we het betoog van Henriëtte Louwerse (tekst, voor podcast check de site van HuisdeBuren).

Kleindenken beperkt het potentieel van het Nederlands - Henriette Louwerse

Ik ga het over een andere boeg gooien. Als docent Nederlandse taal en culturen aan een buitenlandse universiteit, en met name in mijn rol als bestuursvoorzitter van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek, heb ik immers al regelmatig gewezen op het kleindenken van de Nederlandse en Vlaamse overheid waar het de promotie van taal en cultuur buiten het taalgebied betreft. Terwijl China wereldwijd Confucius Instituten opent; er in iedere gerespecteerde stad een Alliance Française opereert; waar Duitsland en Oostenrijk overal ter wereld moedertaalsprekers in vakgroepen Duits plant, blijven Vlaanderen en Nederland volharden in de diepgewortelde overtuiging dat Nederlands, en de talige cultuur van Nederland en Vlaanderen, geen exportproduct is dat serieus genomen dient te worden. Het geïnternaliseerde idee van een kleine, veel te moeilijke en particuliere taal, is hardnekkig. De Taalunie heeft het uitgezocht: 7,5 cent per inwoner investeren we in ons internationale taalonderwijs. Portugal geeft met €2.80, 35x meer uit voor het Portugees. *[1]

Ik ga ervan uit dat u die boodschap kent. En ik geloof dat er zelfs tekenen zijn dat die boodschap is doorgekomen, althans aan Vlaamse kant, waar in het nieuwe regeerakkoord is opgenomen dat de Vlaamse regering van zin is om meer te investeren in het “internationaliseren van het Nederlands”. Bravo. Maar we zijn er nog niet.

In deze Week van het Nederlands wordt de liefde voor onze taal bezongen in velerlei vorm. Het economische verhaal lijkt even een ver-van-ons-bed-show: deze week zijn we onder elkaar en wentelen we ons in de liefde en trots voor het – al of niet standaard – Nederlands. We proeven de regels van Multatuli; we leggen de schuld van prestigeverlies bij het Engels; we eren de moedertaal op het Onze Taal-congres; en we vieren de taal compleet met uitroepteken tijdens de 11de editie van de VRT Taalavond!

Feest is fijn, trots en liefde zijn mooie dingen, maar het is niet voldoende.

Hoort u iets nieuws als we het Engels afkeuren, de afname van de studenten Nederlands betreuren, debatteren over de wenselijkheid van de standaardtaal? Ik niet. Ik hoor hierin niet de fundamentele verschuiving in onze houding ten aanzien van het Nederlands die we nodig hebben om spraakmakend te blijven, of ‘relevanter dan ooit’ zoals de ondertitel van deze avond luidt.

Tijdens een paneldiscussie op de Nederlandse radio bij het programma De Taalstaat van afgelopen zaterdag wordt een aantal prominenten op het gebied van het onderwijs Nederlands en neerlandistiek gevraagd waarom ze destijds Nederlands zijn gaan studeren. De antwoorden zijn voorspelbaar: liefde voor lezen, leuke leraar Nederlands. Eén antwoord valt op: het antwoord van een hoogleraar Nederlands. Ze zegt, ‘ik wilde Frans studeren, maar mijn moeder zei, ‘dat moet je niet doen, dan word je nooit de beste. Als ze een hoogleraar Frans zoeken, dan leg je het altijd af tegen een Fransman.’ Het publiek lacht.

Laat duidelijk zijn, ik waardeer de ambitie van de moeder van de hoogleraar en overigens ook die van de hoogleraar zelf, maar toch zit er een fundamenteel kleindenken verscholen in dit moederlijke advies. En dit is het kleindenken waar wij, docenten en onderzoekers in de internationale neerlandistiek, bij voortduring tegenaan lopen. Dit is het kleindenken dat het Nederlands beperkt, beknopt, begrenst, klein houdt.

Ik woon in het vermaledijde Engeland. Een land dat zijn koers kwijt is. Het genereuze Verenigd Koninkrijk – trots in de internationale blik, multicultureel, Europees – is verworden tot een zuur naar binnen gerichte natie waarvan de helft zich vastklampt aan een vermeend illuster verleden en de andere helft een Iers paspoort aanvraagt en denkt over vertrek. Maar één ding doen ze in Engeland nog altijd heel erg goed. Ze hebben een ongekend open en inclusieve houding ten aanzien van hun taal en de studie van taal en cultuur. Als ik kijk naar mijn collega’s in de vakgroep Engels in Sheffield, dan is moedertaalspreker zijn helemaal geen selectiecriterium.

Sterker nog, de blik van buiten, van Dr. Kook Hi Gill uit Zuid-Korea, Dr. Agnes Lehoczky uit Hongarije, Dr. Duco van Oostrum uit Friesland en Dr. Charlotte Steenbrugge uit Vlaanderen wordt gezien als verrijking, verbreding en verdieping. Het idee dat ‘je het niet zou redden omdat je geen moedertaalspreker van het Engels bent’ is niet alleen onwaar, maar ook volkomen absurd. Het Engels is niet uitsluitend van de moedertaalsprekers van het Engels, de Britten hebben geen alleenrecht op Shakespeare en dat dragen ze uit.

Dames en heren, Nederlands is onze taal, maar het Nederlands is niet alleen van óns.

Nederlands is niet het exclusieve recht van mensen die zijn opgegroeid met Jip en Janneke. De teksten geschreven in Nederlands, de cultuurproducten zijn voor iedereen die zich daarin wil verdiepen, die verbanden wil zoeken, die ervan geniet, die ervan houdt, die ze wil bestuderen of er zelfs op wil promoveren. Als we Nederlands als open, middelgrote, internationale taal omarmen, en niet langer beschouwen als het monopolie van moedertaalsprekers binnen een klein taalgebied, wordt Nederlands relevanter dan ooit voor de 21ste eeuw.

Het kleindenken rond het Nederlands zit verstopt in termen als moedertaal, kleedt zich in een gesloten identiteitsdebat, staart zich blind op kleine verschillen in plaats van die te zien als bewijs van onze diversiteit. Met dat kleindenken moeten we radicaal breken. Laten we vanaf nu een inclusief verhaal vertellen over het Nederlands, de taal die openstaat voor iedereen die ervan houdt, voor mensen die naast het Nederlands ook andere talen spreken: Engels (zoals mijn kinderen en ik), Frans, Marokkaans, Arabisch of Duits. Laten we trots zijn op een taal en een cultuur die groot en inclusief denkt, die investeert in onderwijs op alle niveaus, ook buiten de taalgrenzen.

Vorige week zat ik in een grote zaal tijdens onze jaarlijkse cursusinschrijvingen. Er verscheen een jonge man aan mij mijn tafeltje. ‘I would like to study Dutch', zei hij. ‘What an excellent idea’ antwoordde ik, want ook in Sheffield is iedere student er een. ‘I may not be a beginner’ zei hij.

Op dat moment schakelde ik over op Nederlands, en zei: ‘nou dat is helemaal mooi, je hebt al ervaring met de taal?’

Mijn gesprekspartner reageerde onverwacht. Zijn ogen liepen vol tranen en hij zei, ‘sorry, ik vind het zo fijn dat er iemand Nederlands tegen mij spreekt.’

Nathan is van West-Afrikaanse afkomst, en is geboren in Rotterdam waar hij tot zijn 11de heeft gewoond. Daarna vertrokken zijn ouders naar Engeland. Hij spreekt Engels, Nederlands, en nog twee Afrikaanse talen. Nederlands is zijn lievelingstaal. Hij wil docent Nederlands worden, liefst op een universiteit. Wie van ons gaat hem vertellen dat dat niet mogelijk is? Dat hij in onze ogen nooit de beste zal zijn, omdat hij naast het Nederlands nog andere talen spreekt?

Laten we onze liefde van het Nederlands uitdrukken in liefde voor de gebruikers van het Nederlands, voor alle gebruikers.

 

*[1] Talenbeleid in Europa. Managementsamenvatting p. 8.

Bron: www.deburen.eu